ECLI:NL:RVS:2012:BY3405
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens Dublinprocedure
De minister voor Immigratie en Asiel wees een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op 22 juni 2011. De vreemdeling stelde beroep in bij de voorzieningenrechter die het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de Dublinverordening, waarbij Zweden verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. De vreemdeling voerde bijzondere, individuele omstandigheden aan op grond van medische problematiek en de nabijheid van familie in Nederland, die een overdracht aan Zweden onevenredig hard zou maken.
De Raad van State oordeelde dat de medische brief onvoldoende concrete aanwijzingen bevatte dat in Zweden geen adequate behandeling mogelijk is. Ook het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij geen aanwijzingen waren dat Zweden de refoulementverboden schendt.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd.