ECLI:NL:RVS:2012:BY3368

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201209608/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onvoldoende voortvarendheid en schending hoor en wederhoor in vreemdelingenbewaring

De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage inzake de verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel (bewaring). De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep klaagt de vreemdeling dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn beroep tegen het verlengingsbesluit nader toe te lichten, terwijl dit wel bij het beroep tegen het voortduren van de bewaring was toegestaan.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor door de vreemdeling niet schriftelijk de gelegenheid te bieden zijn gronden kenbaar te maken, terwijl het beroepschrift geen gronden bevatte en er geen zitting heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de uitspraak van de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb omdat een beroepsgrond is betrokken die niet was aangevoerd.

Verder is vastgesteld dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling, door pas op de tiende dag van de maatregel te starten met de daadwerkelijke voorbereiding, ondanks dat het Verenigd Koninkrijk vooraf akkoord was gegaan met de overdracht. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen.

Tot slot stelt de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast op € 437,00 en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd en terugverwezen.

Uitspraak

201209608/1/V3.
Datum uitspraak: 12 november 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
(de vreemdeling),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 1 oktober 2012 in zaak nr. 12/29960 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2012 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 1 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep tegen het verlengingsbesluit nader toe te lichten. In het door hem afzonderlijk ingestelde beroep tegen het voortduren van de bewaring heeft de rechtbank die gelegenheid wel geboden. De vreemdeling betoogt dat hij er vanuit heeft mogen gaan dat er op een later tijdstip een brief van de rechtbank zou volgen met een termijn voor het indienen van de gronden van het beroep tegen het verlengingsbesluit. De rechtbank heeft dit echter nagelaten en de zaak bovendien buiten zitting afgedaan. Hierdoor is hem de mogelijkheid ontnomen om zijn beroep toe te lichten en is de uitspraak op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen, aldus de vreemdeling.
1.1. Op 19 september 2012 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit. De dag daarvoor is door de vreemdeling beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring (hierna: het vervolgberoep). In laatstgenoemde zaak is de vreemdeling op 20 september 2012, bij faxbericht met het kenmerk van het vervolgberoep, in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ter beschikking gestelde voortgangsrapportage. Op 21 september 2012 heeft de vreemdeling per faxbericht met het kenmerk van het vervolgberoep daarop gereageerd, waarbij hij niet tevens is ingegaan op het beroep ten aanzien van het verlengingsbesluit.
1.2. Het op 19 september 2012 ingediende beroepschrift tegen het verlengingsbesluit bevatte geen gronden. Indien een beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat, dient de rechtbank de indiener de gelegenheid te bieden alsnog zijn gronden kenbaar te maken. Door de vreemdeling hiertoe niet schriftelijk in de gelegenheid te stellen, terwijl een onderzoek ter zitting achterwege is gelaten, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met dit algemeen beginsel van bestuursprocesrecht. Nu zij in de beoordeling een beroepsgrond heeft betrokken die niet in het kader van het verlengingsbesluit is aangevoerd, is de uitspraak bovendien in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb gedaan.
Gelet op het voorgaande slaagt de eerste grief.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 1 oktober 2012 in zaak nr. 12/29960;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdijk, voorzitter, mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Van Gemert
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2012
243-696.
Verzonden: 12 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser