ECLI:NL:RVS:2012:BY1564
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid minister bij terugkeerbesluit en vertrektermijn vreemdeling wegens risico op onderduiken
In deze zaak stond centraal of de minister bevoegd was om aan een vreemdeling in het terugkeerbesluit van 20 september 2011 een vertrektermijn te onthouden vanwege een risico op onderduiken. De implementatieregelgeving van de Terugkeerrichtlijn trad pas op 31 december 2011 in werking, na het terugkeerbesluit.
De rechtbank had geoordeeld dat het onthouden van een vertrektermijn wegens het risico op onderduiken op het moment van het terugkeerbesluit niet op een wettelijke grondslag kon steunen en dat de inbewaringstelling daarom onrechtmatig was. De minister voerde aan dat de implementatieregelgeving onmiddellijke werking heeft en dat bij de heroverweging in bezwaar het nieuwe recht toegepast mocht worden.
De Raad van State bevestigde dat de implementatieregelgeving geen overgangsrechtelijke bepalingen bevat en onmiddellijke werking heeft, maar oordeelde dat de minister ten tijde van het terugkeerbesluit niet bevoegd was om de vertrektermijn te onthouden wegens het risico op onderduiken. Bij de heroverweging had de minister het besluit moeten herroepen. De klacht van de minister faalt, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de motivering. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van €437,00.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd wegens gebrek aan bevoegdheid ten tijde van het terugkeerbesluit.