ECLI:NL:RVS:2012:BX9308

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201205209/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep van vreemdeling tegen uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en terugkeerbesluit

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, die op 22 mei 2012 zijn beroep tegen een besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel ongegrond verklaarde. De vreemdeling was op 7 mei 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank oordeelde dat de minister niet opnieuw een terugkeerbesluit hoefde te nemen na de terugkeer van de vreemdeling uit Duitsland, waar hij een asielaanvraag had ingediend. De vreemdeling betoogde dat zijn rechtmatige verblijf in Duitsland de minister verplichtte om een nieuw terugkeerbesluit te nemen voordat hij in bewaring werd gesteld. De minister stelde echter dat het verblijf in Duitsland geen invloed had op de rechtspositie van de vreemdeling in Nederland, aangezien hij eerder een terugkeerbesluit had ontvangen.

De Raad van State overwoog dat de vreemdeling niet aan zijn terugkeerverplichting had voldaan, omdat hij niet was teruggekeerd naar een land zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister niet verplicht was om een nieuw terugkeerbesluit te nemen. Het verzoek van de vreemdeling om schadevergoeding werd afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in naam der Koningin en is openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.

Uitspraak

201205209/1/V3.
Datum uitspraak: 18 juli 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
(de vreemdeling),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 mei 2012 in zaak nr. 12/15067 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 mei 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De vreemdeling klaagt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet opnieuw een terugkeerbesluit behoefde te nemen na zijn terugkeer uit Duitsland. Hij betoogt daartoe dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend en dat hij daardoor enige tijd rechtmatig in Duitsland heeft verbleven. Gelet op dit rechtmatige verblijf was de minister in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 in zaak nr. 201102602/1/V2 (www.raadvanstate.nl) gehouden om – alvorens tot inbewaringstelling over te gaan – opnieuw een terugkeerbesluit te nemen, aldus de vreemdeling.
2.1.1. De minister stelt zich op het standpunt dat, daargelaten welke vorm van rechtmatig verblijf de vreemdeling in Duitsland zou hebben genoten, zodanig verblijf in Duitsland geen recht schept op rechtmatig verblijf in Nederland en niet van invloed kan zijn op de rechtspositie van de vreemdeling hier te lande. In de situatie dat een vreemdeling, nadat hem door Nederland door middel van een terugkeerbesluit kenbaar is gemaakt dat hij aldaar geen rechtmatig verblijf heeft en dat hij de Europese Unie dient te verlaten, zich begeeft naar een andere lidstaat en daar enige vorm van rechtmatig verblijf verkrijgt, kan niet worden aangenomen dat het eerder door Nederland genomen terugkeerbesluit daarmee zijn werking heeft verloren, aldus de minister. Hij wijst er in dit verband op dat richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) geen bepalingen bevat die het mogelijk maken dat een lidstaat een door een andere lidstaat genomen terugkeerbesluit intrekt.
2.1.2. De vreemdeling bezit de Chinese nationaliteit en een door hem ingediende asielaanvraag is op 6 mei 2009 afgewezen. Op 30 maart 2010 is hij ongewenst verklaard. Van 5 augustus 2010 tot 3 augustus 2011 heeft hij in vreemdelingenbewaring verbleven. Daarna is hij naar Duitsland gereisd.
2.1.3. Vaststaat, gezien overweging 2.1.2., dat ten aanzien van de vreemdeling voor zijn vertrek naar Duitsland in Nederland een terugkeerbesluit is genomen. Eveneens staat vast dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend en dat hij door Duitsland aan Nederland is overgedragen op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.
2.1.4. In de door de vreemdeling ingeroepen uitspraak van 12 april 2012 heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling bij de afwijzing van een asielaanvraag reeds een terugkeerbesluit heeft ontvangen, dat hem daarbij een vertrektermijn is gegund en dat hij Nederland niet binnen die termijn uit eigen beweging heeft verlaten, niet met zich brengt dat de minister bij de afwijzing van een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet opnieuw een terugkeerbesluit, met een daarbij behorende vertrektermijn, hoeft uit te vaardigen. Als gevolg van het indienen van zijn - opvolgende - asielaanvraag heeft de vreemdeling alsdan opnieuw rechtmatig verblijf gekregen als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Nu uit artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit niet alleen een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn wordt opgelegd, doch hiermee in de eerste plaats, vóórdat tot het opleggen van die terugkeerverplichting kan worden overgegaan, wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard, is de minister in een zodanige situatie gehouden bij de afwijzing van de opvolgende aanvraag opnieuw vast te stellen dat het rechtmatig verblijf, dat de betrokken vreemdeling in afwachting van de beslissing op die aanvraag had, is geëindigd.
Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 juli 2011 in zaak nr. 201105819/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft een vreemdeling eerst aan zijn terugkeerverplichting voldaan indien hij is teruggekeerd naar een land als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Zolang van een zodanige terugkeer geen sprake is, komt de werking aan een eerder genomen terugkeerbesluit niet te ontvallen.
2.1.5. Allereerst is van belang dat de vreemdeling niet is teruggekeerd naar een land als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dat hij aldus niet aan de hem opgelegde terugkeerverplichting heeft voldaan.
De uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 waarop de vreemdeling zich beroept, ziet op de situatie waarin een vreemdeling in Nederland een al dan niet opvolgend asielverzoek heeft ingediend. In het geval van de vreemdeling gaat het evenwel om een asielverzoek in Duitsland. Anders dan de vreemdeling lijkt te betogen, heeft hij als gevolg van dit asielverzoek geen rechtmatig verblijf in Nederland verkregen. De minister was derhalve, alvorens tot de inbewaringstelling van de vreemdeling over te gaan, niet gehouden tot het opnieuw nemen van een terugkeerbesluit.
2.1.6. De grief faalt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Van Dokkum
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012
480.
Verzonden: 18 juli 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser