Uitspraak
200706325/1), bestaat eerst een ongeoorloofd onderscheid indien er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het gemaakte onderscheid en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling.
201101945/1/V6), is het aan de minister om te oordelen of de identiteit met behulp van de overgelegde stukken is komen vast te staan. Nu niet in geschil is dat [appellant] bij zijn verzoek om verlening van het Nederlanderschap geen gelegaliseerde geboorteakte en paspoort heeft overgelegd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet zijn komen vast te staan. Verder heeft de minister, gelet op de aan het Nederlanderschap verbonden gevolgen, het belang van de vaststelling van de juiste identiteit en nationaliteit van bijzonder gewicht kunnen achten en de gevolgen van de twijfel daaromtrent niet ten onrechte voor rekening van [appellant] gelaten. In zijn verweerschrift wijst de minister erop dat juist het belang dat op basis van de juiste en eenduidige informatie het Nederlanderschap aan een verzoeker wordt verleend tot de wijziging in het beleid van 1 mei 2009 heeft geleid. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding heeft gevonden om van zijn beleid af te wijken, nu [appellant] een beroep doet op bewijsnood hetgeen in de Handleiding is verdisconteerd.