ECLI:NL:RVS:2012:BX7118

Raad van State

Datum uitspraak
12 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201112865/1/T1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
  • N.S.J. Koeman
  • A.J. Soede
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.7 BorArt. 2.12 WaboArt. 3:46 AwbArt. 19 lid 3 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raad van State oordeelt over motivering weigering omgevingsvergunning garage Alkmaar

Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar verleende op 1 februari 2011 een omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een woning en een garage, waarbij werd afgeweken van het bestemmingsplan. Later werd het besluit herroepen voor zover het de garage betrof en werd een vergunning voor een garage met een bouwhoogte van 4,5 meter verleend, terwijl een vergunning voor 5 meter werd geweigerd.

De voorzieningenrechter vernietigde het besluit van 28 september 2011 voor zover het een vergunning voor een garage met een maximale bouwhoogte van 4,5 meter betrof. Het college verwees bij de weigering naar het Vrijstellingenbeleid uit 2000, dat onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening was vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat dit beleid niet geldt voor de bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan zoals neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De Afdeling stelt vast dat de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid onder de Wabo verschillen van die onder de WRO, onder meer door de introductie van het begrip bijbehorend bouwwerk en uitgebreidere categorieën van gevallen. Het college heeft het besluit daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht genomen. De Afdeling draagt het college op binnen twaalf weken het besluit te herstellen of een nieuw besluit te nemen, met correcte motivering en bekendmaking.

Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college wordt opgedragen het besluit binnen twaalf weken te herstellen of te vervangen.

Uitspraak

201112865/1/T1/A1.
Datum uitspraak: 12 september 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Alkmaar,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 1 december 2011 in zaak nrs. 11/2631 en 11/2632 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een woning en een garage op het perceel [locatie 1], te Alkmaar in afwijking van het bestemmingsplan.
Bij besluit van 28 september 2011 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 1 februari 2011 herroepen voor zover het de garage betreft. Voorts is besloten een omgevingsvergunning te verlenen voor een garage met een bouwhoogte van 4,5 m en een omgevingsvergunning voor een garage met een bouwhoogte van 5 m te weigeren.
Bij uitspraak van 1 december 2011 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 september 2011 vernietigd, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen en vernieuwen van de garage met een maximale bouwhoogte van 4,5 m. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende].
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
2. Het bouwplan voorziet onder meer in de bouw van een dakopbouw op de garage met een bouwhoogte van 5 m. De garage is gesitueerd aan de [locatie 2] te Alkmaar.
3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Vierstraten" geldt ter plaatse de bestemming "Garageboxen". Volgens de bouwhoogtekaart is een maximale bouwhoogte van 3 meter toegestaan.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet aangewezen de categorieën in artikel 4 van Pro bijlage II.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.
4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat aan de beleidsregels opgesteld onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) niet als beleidsregels kunnen worden aanmerkt voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, in verbinding met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011, zaaknr.
201103083/1. Verder voert [appellant] aan dat de afwijkingsbevoegdheden onder de Wabo en Wet ruimtelijke ordening niet geheel overeenstemmen met de vrijstellingsbevoegdheid zoals van toepassing onder de WRO.
4.1. De gemeenteraad heeft bij besluit van 21 december 2000 het "Vrijstellingenbeleid artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: het Vrijstellingenbeleid) vastgesteld. Volgens dit beleid dient verweerder in de volgende gevallen de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 19, derde lid, van de WRO en artikel 20, eerste lid, onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening in beginsel te gebruiken:
(…)
f. de nokhoogte:
1. van de aangebouwde bijgebouwen mag niet meer dan 4.50 meter bedragen;
2. van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen, met vrijstelling tot maximaal 4.50 meter (indien woon- en leefklimaat buren, waaronder bezonning, niet onevenredig wordt benadeeld).
4.2. Het Vrijstellingenbeleid is op 6 april 2001 in werking getreden. Na de inwerkintreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch na de inwerkingtreding van de Wabo heeft bekrachtiging daarvan plaatsgevonden. Hoewel de in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo opgenomen bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan of beheersverordening een voortzetting betreft van de in artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening neergelegde bevoegdheid, die op haar beurt weer een voortzetting was van de in artikel 19, derde lid, van de WRO neergelegde bevoegdheid zijn de beleidsregels in het Vrijstellingenbeleid geen beleidsregels voor de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo. Daartoe overweegt de Afdeling dat de toepassingsmogelijkheden van deze bevoegdheid als opgenomen in artikel 4 van Pro bijlage II bij het Bor niet dermate met de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, als opgenomen in artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 overeenkomen, dat van eenzelfde bevoegdheid gesproken kan worden. Zo is het begrip bijbehorend bouwwerk ingevoerd, zijn de zogenoemde categorieën van gevallen uitgebreid en worden andere, ruimere eisen aan de categorieën van gevallen gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
4.3. Gelet op het voorgaande heeft het college het besluit van 28 september 2011 door de weigering van de omgevingsvergunning te motiveren onder verwijzing naar het Vrijstellingenbeleid in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht genomen. Dit klemt te meer nu het college is teruggekomen van een verlening van de omgevingsvergunning uitsluitend op grond van dit Vrijstellingenbeleid.
5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de WRvS op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
De college dient daartoe, met inachtneming van hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen, het besluit alsnog toereikend te motiveren, dan wel een nieuw besluit te nemen. In dat laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.
6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
Draagt het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar op om binnen 12 weken naar verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 4.2 en 4.3:
- het besluit van 28 september 2011 alsnog toereikend te motiveren en dat besluit te herstellen dan wel in plaats daarvan een nieuw besluit te nemen. Indien het college een nieuw besluit neemt, dient dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;
- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.
w.g. Koeman w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012
270.