Uitspraak
201105349/1/A1), wijst artikel 2 van Pro bijlage II bij het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, categorieën van bouwwerken aan die vergunningvrij zijn ten aanzien van de activiteiten bouwen en gebruiken. Dat betekent dat het bestemmingsplan niet in de weg kan staan aan het bouwen van bouwwerken die aan de in artikel 2 gestelde Pro eisen voldoen. Hieruit moet worden afgeleid dat bouwwerken die ingevolge artikel 2 van Pro bijlage II bij het Bor vergunningvrij zijn, niet meetellen bij de beantwoording van de vraag of door de bouw van andere categorieën bouwwerken, de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte aan bouwwerken wordt overschreden. Dit is anders indien door toevoeging van een nieuw bouwwerk niet meer wordt voldaan aan de eisen die dat artikel stelt, bijvoorbeeld de eis dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied mag worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken. Met deze benadering wordt ten aanzien van bouwwerken als bedoeld in artikel 2 van Pro bijlage II bij het Bor, de jurisprudentie voortgezet die is ontwikkeld onder de werking van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (onder meer de uitspraak van 10 juli 2002 in zaak nr.
200101969/1), waarvoor ook steun kan worden gevonden in de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143; blz. 145). Nu, zoals hiervoor is overwogen, niet meer dan 50% van het achtererf is bebouwd en daarmee de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte voor bouwwerken op het achtererf niet wordt overschreden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor de bouw van de overkapping geen omgevingsvergunning is vereist en het college derhalve niet bevoegd was handhavend op te treden.