ECLI:NL:RVS:2012:BX6312
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige oplegging van vreemdelingenbewaring wegens ontbreken terugkeerbesluit
De vreemdeling werd in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 13 juli 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde echter dat zij nooit een expliciete schriftelijke kennisgeving (terugkeerbesluit) had ontvangen waarin zij werd verplicht Nederland te verlaten, zoals vereist volgens artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State overwoog dat een visum slechts de begin- en einddatum van de geldigheid vermeldt en niet de vereiste schriftelijke kennisgeving bevat waarin de vreemdeling wordt geïnformeerd over de verplichting Nederland te verlaten en de termijn daarvoor. Daarom kan een visum niet worden aangemerkt als een terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 62a, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verder werd gewezen op de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) die bepaalt dat een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien voorafgaand of gelijktijdig een terugkeerbesluit is genomen, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn.
De Raad van State oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was opgelegd en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan de vreemdeling werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig opgelegd en wordt opgeheven; de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.