ECLI:NL:RVS:2012:BX6245
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de berekeningswijze van bewaringstermijnen in vreemdelingenbewaring
De vreemdeling stelde dat de minister onrechtmatig had gehandeld door de verlenging van de bewaringstermijn te laten ingaan op 6 april 2012, omdat volgens hem de termijn van zes maanden als kalendermaanden moest worden gerekend. De minister hanteerde echter de beleidsregel dat een maand gelijk is aan dertig dagen, zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Raad van State overwoog dat het begrip 'maanden' in de Terugkeerrichtlijn niet nader is gedefinieerd en dat het Hof van Justitie heeft bepaald dat dergelijke termen autonoom en eenduidig moeten worden uitgelegd volgens de omgangstaal, wat neerkomt op kalendermaanden. De minister mag echter op grond van artikel 4 lid 3 van Pro de richtlijn een gunstiger regeling hanteren, zoals het beleid in de Vc 2000 dat een maand als dertig dagen definieert.
Dit beleid voldoet aan de norm dat bewaring niet langer mag duren dan zes respectievelijk achttien maanden, aangezien een periode van zes of achttien maanden van dertig dagen nooit langer is dan het aantal kalendermaanden. De rechtbank heeft de minister dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat de verlenging op 6 april 2012 mocht ingaan. Het hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de verlenging van de bewaringstermijn op 6 april 2012 rechtsgeldig is en wijst het hoger beroep van de vreemdeling af.