ECLI:NL:RVS:2012:BX5594
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ontvankelijkheid en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning als zelfstandige op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag. De rechtbank verklaarde haar beroep niet ontvankelijk omdat zij onvoldoende belang zou hebben bij de beoordeling van haar beroep.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling materiële en immateriële schade als gevolg van het besluit aannemelijk had gemaakt, waaronder het verlies van haar onderneming en langdurige onzekerheid over haar verblijfsrecht. Hierdoor had zij wel degelijk belang bij een inhoudelijke toetsing van het besluit.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens stelde de Raad vast dat de procedure de redelijke termijn van drie jaar had overschreden met bijna twee jaar, wat niet gerechtvaardigd was. Daarom werd de minister veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 2.000 en vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De inhoudelijke bezwaren van de vreemdeling tegen het besluit werden afgewezen, onder meer omdat zij onvoldoende aantoonde dat zij over het vereiste aanzienlijke kapitaal beschikte en haar gezinsleven in de VS niet objectief werd belemmerd. De zaak werd zonder terugwijzing afgedaan, mede vanwege finale geschilbeslechting.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd en minister veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.