Uitspraak
201103542/1/H2) moet ingevolge artikel 52 van Pro de Wko, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir, degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau aantonen. Die overeenkomst vormt de basis van de kinderopvang.
201106945/1/A2overweegt de Afdeling dat voor de vraag of recht op kinderopvangtoeslag bestaat, de opvang krachtens de schriftelijke overeenkomst bepalend is en dus kan, anders dan [appellant] stelt, niet worden uitgegaan van een daarvan afwijkende feitelijke situatie, gebaseerd op mondelinge afspraken tussen partijen. Derhalve kan de opvang in het geval van [appellant] op grond van de overeenkomst pas plaatsvinden nadat het gastouderbureau in het bezit is gekomen van de VOG. De rechtbank is met juistheid tot hetzelfde oordeel gekomen. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] dat de vraagouder geen wettelijke verplichting heeft om toe te zien op de afgifte van een VOG, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot het ermee beoogde doel.