ECLI:NL:RVS:2012:BX5044
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling ondanks beroep op EU-burgerschapsrechten kinderen
De vreemdeling, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot en hun twee kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De minister wees dit verzoek af en ook het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde zich op het standpunt dat op grond van artikel 20 van Pro het VWEU haar kinderen als EU-burgers niet kunnen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten en dat zij daarom zelf met hen in Nederland moet kunnen verblijven. Zij voerde aan dat haar echtgenoot vanwege psychische stoornissen en medicatieafhankelijkheid niet zonder haar zorg voor de kinderen kan zorgen.
De Raad van State oordeelde dat de brief van een psychiater onvoldoende aannemelijk maakt dat de medicatietrouw van de echtgenoot niet ook via maatschappelijke hulp kan worden gewaarborgd, noch dat hij niet in staat zou zijn voor de kinderen te zorgen als hij zijn medicijnen trouw gebruikt. Hierdoor is niet aannemelijk dat de kinderen feitelijk gedwongen worden de Unie te verlaten. Het beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De Raad van State wees tevens op jurisprudentie waarin is bepaald dat het recht op gezinsleven beperkt is bij de beoordeling van verblijfsrechten van EU-burgers in combinatie met burgers van derde landen. De minister heeft de feiten en omstandigheden voldoende zorgvuldig beoordeeld en de rechter toetst deze beoordeling zonder terughoudendheid. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.