Uitspraak
201103542/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir dat degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor zover kinderopvang heeft plaatsgevonden in de periode voordat de overeenkomst schriftelijk is aangegaan, niet aan artikel 52 van Pro de Wko is voldaan. Pas vanaf het moment waarop de overeenkomst schriftelijk is aangegaan, staat vast dat de kinderopvang op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden en kan die overeenkomst als bewijs voor kinderopvang dienen. Met het betoog van [appellante] dat zij al in 2006 afspraken heeft gemaakt met het gastouderbureau over kinderopvang vanaf 1 januari 2007 en dat zij daarvan bewijs had willen overleggen, kan zij daarom niets bereiken. Ook het betoog van [appellante] dat in het aanvraagformulier niet naar de ondertekeningsdatum van de overeenkomst wordt gevraagd en de toekenning evenmin afhankelijk van deze datum wordt gesteld, laat onverlet dat ingevolge artikel 52 van Pro de Wko alleen op basis van een schriftelijke overeenkomst kinderopvang in de zin van de Wko kan plaatsvinden.