Uitspraak
200106008/1, is in het ter uitvoering van artikel 8, derde lid, van de DHW vastgestelde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Gelet hierop mogen bij de beoordeling of een leidinggevende van slecht levensgedrag is alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden worden meegenomen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op grond van de processen-verbaal van bevindingen en rapporten van de politie alsmede de antecedenten van [appellant] in zijn hoedanigheid van taxichauffeur in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW. Voor zover [appellant] betoogt dat de gedragingen van een andere leidinggevende geen invloed kunnen hebben op de beoordeling van zijn levensgedrag wordt met de rechtbank overwogen dat hij als mede-exploitant verantwoordelijk was voor hetgeen in zijn inrichting plaatsvond. Het lag derhalve op zijn weg ervoor te zorgen dat geen illegale gokactiviteiten in de inrichting zouden plaatsvinden. Voor zover [appellant] betoogt dat in de inrichting slechts behendigheidsspelen werden gespeeld, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [leidinggevende] heeft bevestigd dat in de inrichting werd gegokt en voorts dat op 28 oktober 2009 een grote hoeveelheid geld is aangetroffen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geweigerd aan [appellant] een DHW-vergunning te verlenen.