Uitspraak
200400867/1), komt de korpschef vrijheid toe bij de beoordeling of betrokkene voldoende betrouwbaar is en is de invulling die in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire aan de term 'betrouwbaarheid' is gegeven niet rechtens onjuist. Voorts mogen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 december 2003 in zaak nr.
200305092/1), aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.
200901585/1/H3, kan de vraag of [appellant] het formulier wel of niet met opzet onjuist heeft ingevuld, mede gelet op de duidelijk geformuleerde vragen, in het midden blijven. Het onjuist invullen kan hem in elk geval worden aangerekend.
200701646/1), met juistheid overwogen dat de toepassing van voormelde paragraaf er ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr niet toe mag leiden dat iemand die niet aan de eisen van betrouwbaarheid voldoet, toch te werk mag worden gesteld. Dit brengt mee dat bij de beslissing omtrent toepassing van de hardheidsclausule uitsluitend dient te worden beoordeeld of degene op wie het verzoek om toestemming betrekking heeft, hoewel hij niet aan de in de Circulaire opgenomen eisen voldoet, toch over voldoende betrouwbaarheid beschikt. Gelet op het hiervoor onder 2.3. en 2.4.2. overwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die situatie zich hier niet voordoet. De rechtbank heeft dan ook terecht voor de korpschef geen ruimte aanwezig geacht voor toepassing van de hardheidsclausule. Er bestaat derhalve evenmin ruimte voor toepassing van het door de korpschef ter uitvoering van de hardheidsclausule gevoerde beleid. Het betoog faalt.