ECLI:NL:RVS:2012:BX2020
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Somalië
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 17 juli 2012 uitspraak gedaan in een hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle. De zaak betrof een Somalische vreemdeling die in vreemdelingenbewaring was gesteld, waarbij de rechtbank de bewaring onrechtmatig had verklaard wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De minister voerde aan dat uitzetting naar Mogadishu mogelijk was en dat van daaruit doorreizen naar andere delen van Somalië, waaronder Noord-Somalië (Somaliland) en Zuid- en Centraal-Somalië, mogelijk zou zijn. De Raad van State oordeelde echter dat vanwege het gewapend conflict in Mogadishu en de situatie in Somaliland geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De aanwezigheid in Mogadishu brengt een reëel risico op willekeurig geweld met zich mee, wat uitzetting volgens Europees en internationaal recht uitsluit.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië.