ECLI:NL:RVS:2012:BX1849

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201201629/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.A.A. Mondt-Schouten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Rouveen West fase IV

De raad van de gemeente Staphorst stelde op 13 december 2011 het bestemmingsplan "Rouveen West, fase IV" vast, waarmee de afronding van een nieuwbouwwijk mogelijk wordt gemaakt. Appellanten, wonend te Rouveen, stelden beroep in tegen dit besluit omdat zij vinden dat zij ten onrechte een strook grond naast hun woningen niet meer kunnen gebruiken als parkeerterrein en toegang tot de achtertuin.

Appellanten voerden aan dat het gebruik van deze strook jarenlang door de gemeente werd gedoogd en dat zij verzocht hebben deze strook te kopen, wat niet is gehonoreerd. De raad stelde dat bij het opstellen van het plan rekening is gehouden met deze verzoeken, maar dat het belang van het creëren van zoveel mogelijk nieuwbouwkavels en het voorkomen van precedentwerking zwaarder weegt dan het individuele belang van appellanten.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat bestaand legaal gebruik niet automatisch hoeft te worden voortgezet als nieuwe inzichten en een goede ruimtelijke ordening dit niet rechtvaardigen. Gezien de grote behoefte aan woningen in Rouveen en het feit dat de strook grond eigendom is van de gemeente, was het redelijk dat de raad het gemeentelijk belang zwaarder heeft gewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Rouveen West fase IV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201201629/1/R1.
Datum uitspraak: 18 juli 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rouveen, gemeente Staphorst,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Staphorst,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Rouveen West, fase IV" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2012, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2012, waar [appellanten] en de raad, vertegenwoordigd door E. Saathof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het plan maakt de afronding van een nieuwbouwwijk ten westen van Rouveen mogelijk.
2.2. [appellanten] betogen dat zij als gevolg van het plan een strook grond naast hun woningen ten onrechte niet meer kunnen gebruiken als parkeerterrein. Volgens hen is het moeilijk om de auto uit te draaien op de openbare weg zonder het gebruik van de strook grond als parkeerterrein. Voorts kan [appellant A] volgens hen als gevolg van het plan de strook grond niet meer gebruiken als toegang tot zijn achtertuin. Volgens hen is het gebruik van de strook grond jarenlang door het gemeentebestuur gedoogd en is het gebruik van de strook grond rechtmatig. [appellanten] wijzen erop dat zij het gemeentebestuur verscheidene keren hebben verzocht om de strook grond aan hen te verkopen. Volgens hen bestaan daar geen bezwaren tegen en is ten onrechte geen rekening gehouden met hun verzoeken bij het opstellen van het ontwerpplan.
2.2.1. Volgens de raad is bij het opstellen van het ontwerpplan rekening gehouden met de verzoeken van [appellanten] en is een zwaarder gewicht toegekend aan het belang om zoveel mogelijk nieuwbouwkavels in het plangebied aan te bieden en het belang om precedentwerking te voorkomen dan aan het belang van [appellanten] bij het gebruik van de strook grond. Voorts is het gebruik van de strook grond door [appellanten] volgens de raad onrechtmatig, omdat onder het voorheen geldende plan parkeren niet was toegestaan op de strook grond.
2.2.2. [appellant A] woont aan de [locatie 1] en [appellant B] woont aan de [locatie 2]. Naast hun percelen is aan gronden de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend. Tussen dit bouwvlak en de percelen van [appellanten] ligt een strook grond met een breedte van ongeveer 2 m.
Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder 7.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor maximaal 100 woningen, groenvoorzieningen en voet- en fietspaden.
2.2.3. In de plantoelichting staat dat de behoefte aan woningen toeneemt door een groeiend aantal huishoudens en dat het potentieel tekort aan rij- en hoekwoningen in de koopsector relatief gezien groter is in Rouveen dan in Staphorst. Daarnaast is er volgens de plantoelichting een vraagoverschot in Rouveen naar (half)vrijstaande woningen.
2.2.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat geen rekening is gehouden met de verzoeken van [appellanten]. Daargelaten of bij het opstellen van het ontwerpplan rekening is gehouden met hun verzoeken, heeft de raad immers bij de vaststelling van het plan daarmee rekening gehouden, nu in de nota van zienswijzen op de zienswijzen van [appellanten] wordt gereageerd. Wat betreft de vraag of het gebruik van de strook grond door [appellanten] rechtmatig dan wel onrechtmatig is, overweegt de Afdeling dat ook als dit gebruik legaal was onder het voorheen geldende plan, bestaand legaal gebruik niet als zodanig hoeft te worden bestemd, indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen dan aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Gelet op de behoefte aan woningen in Rouveen en nu de raad heeft aangegeven dat meer personen dan [appellanten] grond in het plangebied willen kopen, heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang om zoveel mogelijk nieuwbouwkavels aan te bieden en het belang om precedentwerking te voorkomen dan aan het belang van [appellanten] bij het gebruik van de strook grond naast hun woningen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant A] zijn achtertuin ook via zijn woning kan bereiken. Verder is het uitdraaien van de auto op de openbare weg weliswaar moeilijker zonder het gebruik van de strook grond als parkeerterrein, maar de raad heeft ter zitting toegelicht dat het uitdraaien gemakkelijker zal worden, nu de openbare weg zal worden verlengd als gevolg van het plan. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Wonen" niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd, nu de strook grond in eigendom is van de gemeente.
2.3. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.
w.g. Mondt-Schouten w.g. Bosnjakovic
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012
410-703.