ECLI:NL:RVS:2012:BX1355
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld zonder voldoende grond voor risico op onttrekking toezicht
De vreemdeling werd op 21 januari 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens vermeend risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de minister onvoldoende had onderbouwd dat er een reëel risico bestond dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken of de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De vreemdeling had juist meerdere pogingen ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen, waaronder bezoeken aan ambassades en het inschakelen van het Rode Kruis, en had zich vrijwillig gemeld bij de vreemdelingenpolitie.
Daarmee was de maatregel van bewaring onrechtmatig omdat de minister niet adequaat was ingegaan op de inspanningen van de vreemdeling om zijn terugkeer te bewerkstelligen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en kende een schadevergoeding toe voor de periode van bewaring. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de inbewaringstelling onrechtmatig bevonden en een schadevergoeding toegekend.