ECLI:NL:RVS:2012:BX1350
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen reëel risico op eerwraak en asielweigering aan vreemdelingen uit Afghanistan
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 22 november 2011 de aanvragen van twee vreemdelingen en hun minderjarige kind om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten, maar de minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht aannemelijk achtte dat de ooms van de vreemdeling sub 2 contact hadden gehad, maar dat dit niet automatisch een reëel risico op eerwraak oplevert. De vreemdeling sub 2 had tegen de zin van haar oom in Iran een eigen partner gekozen, wat volgens het algemeen ambtsbericht Afghanistan reden kan zijn voor eerwraak. Echter, gezien de omvang van Afghanistan, de mogelijkheid elders te wonen en het ontbreken van directe bedreigingen, was het risico onvoldoende aannemelijk.
Verder concludeerde de Raad dat de algemene veiligheidssituatie in de provincies Ghazni en Parwan niet zodanig verslechterd was dat er een reëel risico op ernstige en individuele bedreiging bestond. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde de beroepen ongegrond, waarmee de ministerbesluiten stand hielden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunningen asiel standhoudt.