ECLI:NL:RVS:2012:BX1345
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat mvv-vereiste niet mag leiden tot vertrek Unieburger uit Nederland
De zaak betreft een Nigeriaanse vreemdeling die een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvraagt in Nederland, met beroep op gezinsleven met haar zoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit en dus burger van de Unie is. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen dit laatste standpunt.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat artikel 20 VWEU Pro het recht van de Unieburger beschermt om in Nederland te verblijven en dat het mvv-vereiste niet mag leiden tot feitelijke uitzetting van de zoon, omdat hij afhankelijk is van zijn moeder die geen mvv heeft. De minister had onvoldoende onderzocht of de partner, die gevangen zat en later een penitentiair programma volgde, voor de zoon kon zorgen. Hierdoor was de motivering ondeugdelijk.
De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand laat en bevestigt de rest. De minister moet opnieuw beslissen en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laat wordt vernietigd.