Uitspraak
201111669/1/A1, behandeld op 7 juni 2012, waar JCDecaux B.V., vertegenwoordigd door M. de Wit, bijgestaan door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.H. van den Ende, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Outdoor Advertising B.V., vertegenwoordigd door P. Heemskerk en E.M. van den Berg, bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, als partij gehoord.
200604465/1 en 200604465/2\, terecht overwogen dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding is wanneer zo'n belemmering een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om de vraag te beantwoorden of zo'n belemmering zich voordoet. De door JCDecaux B.V. gestelde belemmeringen hebben niet een zo evident karakter dat ze aan de verlening van vrijstelling in de weg staan. Mede in het licht van hetgeen het college en Outdoor Advertising B.V. ter zake hebben opgemerkt volgt uit de overeenkomsten van 18 november 1988 en 18 april 1991 niet zonder meer dat hierin een belemmering is gelegen. Teneinde dit aan te kunnen nemen, is een nadere interpretatie van die overeenkomsten vereist. Daartoe is, zoals hiervoor is overwogen, de burgerlijke rechter de eerst aangewezene. De tussen haar rechtsvoorgangster Wall Nederland B.V. en de gemeente Amsterdam gesloten overeenkomst van 26 maart 1998, staat, anders dan JCDecaux B.V. betoogt en zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, evenmin aan het verlenen van vrijstelling in de weg. Mede in het licht van hetgeen het college en Outdoor Advertising B.V. ter zake hebben opgemerkt volgt ook uit deze overeenkomst niet zonder meer dat zich een privaatrechtelijke belemmering voordoet.
200304489/1treft geen doel, omdat in die zaak, anders dan in het onderhavige geval, een direct verband bestond tussen het bestreden besluit en de in geding zijnde ruilovereenkomst. Voorts heeft JCDecaux B.V. weliswaar terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat het college de door haar tegen het besluit van 4 mei 2010 ingebrachte bezwaren onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd, doch dit kan niet leiden tot het door haar daarmee beoogde doel. Uit het besluit van 26 augustus 2010 kan worden afgeleid dat het college zich verenigt met de in het advies van de bezwaarschriftencommissie vervatte overwegingen waarin op de aangevoerde bezwaren is ingegaan, zodat het college geacht moet worden op alle bezwaren te hebben beslist. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid dat het advies van de bezwaarschriftencommissie ter kennis van JCDecaux B.V. is gebracht, zodat het haar duidelijk kon zijn welke motivering aan bedoeld besluit ten grondslag is gelegd.