ECLI:NL:RVS:2012:BX0767
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Toepassing ne bis in idem-beoordelingskader bij opvolgende asielverzoeken en toetsing aan EU-richtlijnen en EVRM
In deze zaak betoogt de vreemdeling dat het ne bis in idem-beoordelingskader, zoals neergelegd in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet verenigbaar is met artikel 32 van Pro de EU Procedurerichtlijn en het recht op asiel volgens het EU-Handvest en het EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat het beoordelingskader niet in strijd is met deze bepalingen. Nieuwe elementen of bevindingen moeten relevant zijn en concreet worden onderbouwd om een inhoudelijke toetsing mogelijk te maken.
De Afdeling benadrukt dat het ne bis in idem-beoordelingskader beperkt is tot feiten en omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet eerder konden worden ingebracht. Feiten die tijdens eerdere procedures bekend waren maar niet zijn aangevoerd, kunnen alleen worden meegenomen indien de vreemdeling concreet kan onderbouwen waarom dit niet eerder mogelijk was. Het rapport van Amnesty International, aangevoerd als nieuw element, werd niet als feitelijk novum erkend omdat het niet tijdig was overgelegd zonder gegronde reden.
Verder wordt overwogen dat bijzondere feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, een uitzondering kunnen vormen op het ne bis in idem-beoordelingskader. Dit waarborgt dat een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro of het refoulementverbod aan de rechter kan worden voorgelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding tot prejudiciële vragen over de uitleg van de Procedurerichtlijn of het EU-Handvest.
De vreemdeling klaagt ook dat hij zijn identiteitskaart niet eerder kon overleggen wegens gevaar in Burundi, maar de voorzieningenrechter achtte dit niet aannemelijk. De Afdeling bevestigt dat de vreemdeling deze eerder had kunnen overleggen. Gelet op het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden en relevante wetswijzigingen, is er geen plaats voor rechterlijke toetsing van het besluit van 17 november 2011. Het hoger beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd.