ECLI:NL:RVS:2012:BX0065
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid voortduring vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan de vreemdeling onrechtmatig achtte. De vreemdeling werd op 11 november 2011 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd omdat hij niet beschikte over geldige grensdocumenten en onvoldoende middelen had voor verblijf en terugreis. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom vrijheidsontneming noodzakelijk was en dat een minder dwingende maatregel mogelijk was.
De Raad van State stelt dat de Opvangrichtlijn van toepassing is vanaf het moment dat de vreemdeling asiel wenst aan te vragen en dat het grensbewakingsbelang zwaarwegend is, waardoor vrijheidsontneming in beginsel gerechtvaardigd kan zijn. De minister heeft niet onterecht geen minder dwingende maatregel opgelegd. Wel oordeelt de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister niet eerst had moeten onderzoeken of een minder dwingende maatregel volstond.
Uiteindelijk concludeert de Raad van State dat na het afwijzende besluit op de asielaanvraag van 18 november 2011 geen grond meer bestond om de vrijheidsontnemende maatregel voort te zetten. De voortduring van de maatregel was daarmee onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een vergoeding toegekend.
Uitkomst: De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig verklaard en het beroep van de vreemdeling is gegrond verklaard.