ECLI:NL:RVS:2012:BW9090
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezinslidmaatschap bij toepassing Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet
De minister van Justitie stelde bij besluiten van 8 juni 2009 de bezwaren van vreemdelingen tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod volgens de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet ongegrond. De rechtbank verklaarde deze besluiten op 21 juli 2010 gegrond en vernietigde ze. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of vreemdelingen 2 tot en met 5 als gezinsleden konden worden aangemerkt van hun vader, aan wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag was tegengeworpen, en daarmee uitgesloten waren van een verblijfsvergunning volgens de Regeling. De rechtbank oordeelde dat vreemdelingen 2 tot en met 5 niet met de vader samenwoonden op de peilmomenten, en daarom geen gezinsleden waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het oordeel van de rechtbank feitelijk onjuist was omdat de verklaringen van vreemdelingen niet door steunbewijs waren gestaafd en niet bewezen was dat de vader op 31 december 2008 een eigen woonruimte had en vreemdelingen 2 tot en met 5 niet met hem samenwoonden. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij zij het standpunt van de minister onderschreef dat de vreemdelingen terecht geen verblijfsvergunning ontvingen volgens de Regeling.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de besluiten van 8 juni 2009 worden bevestigd.