ECLI:NL:RVS:2012:BW7261
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering verblijfsvergunning gezinshereniging wegens twijfel aan nationaliteit
De vreemdeling had een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) verkregen op basis van een advies van de minister van Buitenlandse Zaken, waarna zij Nederland binnenkwam. Later werd haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging afgewezen door de staatssecretaris van Justitie, omdat uit een taalanalyse bleek dat haar nationaliteit en herkomst niet aannemelijk waren, wat de gezinsband met de referent betwijfelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, stellende dat de minister terecht twijfelde aan haar nationaliteit en herkomst. De vreemdeling stelde echter dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij onjuiste gegevens had verstrekt en dat haar nationaliteit niet was vastgesteld.
De Raad van State oordeelde dat de minister van Buitenlandse Zaken bij het verlenen van de mvv de nationaliteit en herkomst geacht moet worden te hebben vastgesteld en dat de vreemdeling erop mocht vertrouwen dat bij gelijkblijvende omstandigheden de verblijfsvergunning zou worden verleend. De minister had onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.