Het college van burgemeester en wethouders van Eersel heeft bij besluit van 4 juli 2011 aan appellant opgelegd om binnen twee weken te stoppen met het opslaan van kratten, emballage en pallets op een perceel te Duizel, voor zover dit buiten de bestemming 'Bedrijven' ligt. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarbij het college het bezwaar deels gegrond verklaarde met betrekking tot de begunstigingstermijn, maar voor het overige ongegrond.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak mogelijk was.
De Raad van State stelde vast dat de opslagactiviteiten in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Het betoog van appellant dat bijzondere omstandigheden het college zouden moeten weerhouden van handhaving faalde, omdat er geen concreet zicht op legalisatie was en geen andere bijzondere omstandigheden waren. Vertrouwen op niet-handhaving was niet aannemelijk gemaakt.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen en het handhavingsbesluit wordt bevestigd.
Uitspraak
201203527/1/A1 en 201203527/2/A1.
Datum uitspraak: 10 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vessem, gemeente Eersel,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 maart 2012 in de zaken nrs. 12/204 en 12/205 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eersel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast binnen twee weken het opslaan van kratten/emballage/pallets enz. op het perceel [locatie] te Duizel, voor zover gelegen buiten de bestemming "Bedrijven", te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 3 januari 2012, voor zover thans van belang, heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de begunstigingstermijn en voor het overige ongegrond.
Bij uitspraak van 8 maart 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2012, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, werkzaam in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbenden] in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Niet in geschil is dat de opslagactiviteiten, waar de last op ziet, in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Buitengebied 1988" en "Meerheide" en het college daartegen handhavend kon optreden.
2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om daartegen handhavend op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat bijzondere omstandigheden het college er in dit geval toe hadden moeten brengen van handhavend optreden af te zien.
2.4.1. Dat betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geen concreet zicht op legalisatie aangenomen, nu er geen ontwerpbestemmingsplan is dat de opslag mogelijk maakt. Voorts is evenmin gebleken van andere omstandigheden die het college er toe noopten om van handhaving af te zien. Dat omwonenden van de opslag geen hinder ondervinden, zoals [appellant] stelt, is geen bijzondere omstandigheid. Voorts heeft [appellant] de in dit verband gestelde afspraken tussen hem en de gemeente niet aannemelijk gemaakt. In beginsel kan vertrouwen dat niet handhavend zal worden opgetreden slechts worden gewekt, indien het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan dat uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven. Van een mededeling van die strekking is niet gebleken, nog daargelaten of zodanig vertrouwen, als het was gewekt, in rechte gehonoreerd zou moeten worden.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.