ECLI:NL:RVS:2012:BW4925
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat strafrechtelijke detentie de vertrektermijn in vreemdelingenrecht niet opschort
De vreemdeling had een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die was afgewezen, waarna hij strafrechtelijk werd gedetineerd en aansluitend vreemdelingenbewaring werd opgelegd. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling na detentie niet direct in bewaring mocht worden gesteld en dat hem gelegenheid had moeten worden geboden om binnen de resterende vertrektermijn Nederland zelfstandig te verlaten.
De minister stelde hoger beroep in tegen dit oordeel en voerde aan dat strafrechtelijke detentie de vertrektermijn niet opschort en dat de vreemdeling tijdens detentie inspanningen moet verrichten om zijn vertrek te bewerkstelligen. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank deze rechtsregel niet had onderkend en dat de situatie anders was dan in eerdere uitspraken waarbij detentie direct na een ongewenstverklaring plaatsvond.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De Afdeling bevestigde dat de maatregel van vreemdelingenbewaring terecht was opgelegd op basis van meerdere gronden, waaronder het niet naleven van vertrekverplichtingen en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit.
Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 april 2012.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de maatregel van vreemdelingenbewaring blijft in stand.