Uitspraak
200801014/1) gestelde prejudiciële vragen.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde een boete van €32.000,- op aan een werkgever wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Rotterdam matigde de boete tot €16.000,-, maar de Raad van State vernietigt deze beslissing en verklaart het hoger beroep van de werkgever gegrond.
Tijdens een controle werden vier Roemeense werknemers aangetroffen die zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten. De werkgever stelde dat de werknemers in het kader van opleiding en werkervaring tijdelijk in Nederland waren, wat onder de uitzonderingen van de Wav valt. Het arrest Vicoplus van het Hof van Justitie werd geraadpleegd om de toepasselijkheid van de vergunningplicht te beoordelen.
De Raad van State concludeert dat de tijdelijke tewerkstelling primair gericht was op opleiding en praktijkervaring, bevestigd door de verleende vergunningen voor praktikantenwerkzaamheden. Hierdoor was geen sprake van een dienstverrichting waarvoor een vergunning vereist is. De boete is daarom onterecht opgelegd en wordt vernietigd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor zover deze het besluit vernietigde, maar de boete opnieuw vaststelde. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan de werkgever.
Uitkomst: De boete van €32.000,- wordt vernietigd omdat de tewerkstelling van Roemeense werknemers primair gericht was op opleiding en geen vergunning vereist was.