Uitspraak
200606025/1), is het aan het Bureau om op basis van zijn deskundigheid te beoordelen of de aan hem verstrekte informatie, gelet op de overige feiten en omstandigheden van het geval, voldoende steun biedt voor de conclusie dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob of van feiten en omstandigheden als bedoeld in het zesde lid van dat artikel. In die uitspraak is verder overwogen dat het bestuursorgaan op die expertise mag afgaan, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.
200808942/1/H3) volgt uit de tekst van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob dat het daarin genoemde vermoeden betrokken is op het in relatie staan tot strafbare feiten en niet op die strafbare feiten zelf. Echter, niet is vereist dat het is gekomen tot een onherroepelijke veroordeling van de verdachte van die strafbare feiten. Het kan derhalve gaan om strafbare feiten waarvan niet in rechte is vastgesteld dat en door wie zij zijn gepleegd. Wel dient het aannemelijk te zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd. Derhalve ziet het begrip "vermoeden" uit artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob op het in relatie staan tot strafbare feiten en geldt ten aanzien van strafbare feiten dat aannemelijk moet zijn dat deze zijn gepleegd, willen die feiten betrokken worden in de beoordeling.
200909529/1/H3, overwogen dat voldoende samenhang bestaat tussen de exploitatie van een restaurant en de handel in verdovende middelen. Het gaat hierbij niet slechts om het verhandelen van die middelen, maar eveneens om het witwassen van de daarmee verkregen gelden.
200705100/1), informatie uit de registers van een CIE slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen een vermoeden opleveren voor ernstig gevaar. Hoewel de melding die een CIE in 2007 heeft ontvangen, anders dan [appellante] betoogt, niet slechts op basis van de inhoud van de informatie als betrouwbaar is aangemerkt maar ook omdat de informant betrouwbaar is, zijn er geen andere feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is dat een strafbaar feit is gepleegd. Voorts wijst het gegeven dat [ex-echtgenoot] en [appellante] vlak bij elkaar wonen en zij bij elkaar zijn aangetroffen bij de aanhouding van [ex-echtgenoot] in verband met diens vermoedelijke betrokkenheid bij hennepteelt niet in dezelfde richting als de informatie van een CIE, omdat deze feiten niet dragend kunnen zijn voor het vermoeden van handelen in strijd met de sociale zekerheidswetgeving.