Uitspraak
200410006/1) is, anders dan hij meent, niet af te leiden dat het dagelijks bestuur in dit geval verplicht was uitvoeringsvoorschriften in de vergunning op te nemen.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel West verleende aan de vergunninghouder een monumentenvergunning en een vrijstelling van het bestemmingsplan voor het ombouwen van de voormalige houthandel 'De Vijsel' aan de Overtoom 13-17 te Amsterdam tot een hotel. Appellanten, bewoners uit de omgeving, stelden zich op het standpunt dat de vergunning onrechtmatig was verleend en dat het bouwplan negatieve effecten zou hebben op hun woon- en leefomgeving.
De monumentenvergunning werd getoetst aan de Monumentenverordening Oud-West 2006. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur de belangen zorgvuldig had afgewogen, het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (CWM) en het Bureau Monumenten & Archeologie had betrokken en dat het bouwplan het monumentale karakter voldoende respecteerde. Contra-expertises van appellanten gaven onvoldoende aanleiding tot vernietiging.
Ten aanzien van de vrijstelling van het bestemmingsplan stelde de Raad vast dat het bouwplan geen vergroting van de bouwmassa met zich bracht en dat het dagelijks bestuur terecht aannam dat het plan geen onevenredige geluid- of lichthinder zou veroorzaken. Het rapport van Bureau Peutz werd als deugdelijk beschouwd, terwijl de contra-expertise onvoldoende overtuigde. Ook de bezwaren over strijd met het stadsdeelbeleid en bescherming van de binnentuin faalden.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarmee de monumentenvergunning en de vrijstelling bestemmingsplan rechtsgeldig bleven. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de monumentenvergunning en vrijstelling bestemmingsplan worden bevestigd.