ECLI:NL:RVS:2012:BW1453
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting en rechtmatigheid vreemdelingenbewaring Somalië
De vreemdeling is op 14 december 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde dat hij geen tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over zijn verblijf in Kismayo en dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn nauwe familiebanden in Somalië.
De Raad van State overwoog dat de minister aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling moet beoordelen of er zicht is op uitzetting, waarbij de gedetailleerdheid en consistentie van de verklaringen van belang zijn. Aangezien de vreemdeling tegenstrijdige en weinig concrete verklaringen had afgelegd, was het oordeel van de minister dat uitzetting mogelijk is niet onredelijk.
Verder werd overwogen dat het beroep op artikel 3 EVRM Pro in het kader van bescherming tegen uitzetting beoordeeld wordt bij een aanvraag verblijfsvergunning en niet in de bewaringprocedure. De minister heeft bovendien aangegeven dat uitzettingen naar Zuid- en Centraal-Somalië binnen enkele weken zullen plaatsvinden. Het hoger beroep van de minister werd niet ontvankelijk verklaard. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten van €874.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.