Uitspraak
200201897/1), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag het college het ten tijde van het indienen van een aanvraag om bouwvergunning nog wel, maar ten tijde van het besluit daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan slechts toepassen, indien ten tijde van het indienen van de aanvraag het desbetreffende bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Deze uitzondering doet zich niet voor.
200308026/1), brengt een redelijke en bij de strekking van artikel 50, tweede en derde lid, van de Woningwet aansluitende wetsuitleg mee dat de uit het tweede lid voortvloeiende aanhoudingsplicht gedurende de periode dat een bestemmingsplan in werking is getreden, maar nog niet in rechte onaantastbaar is geworden, vooralsnog is onderdrukt en dat deze verplichting, indien het besluit tot goedkeuring is vernietigd en tevens alsnog goedkeuring is onthouden, op de voet van het derde lid weer tot gelding komt. In dit geval is het goedkeuringsbesluit tot tweemaal toe vernietigd, waardoor de inwerkingtreding van het nieuwe plan ongedaan is gemaakt. De beslissing van de Afdeling had derhalve telkens tot gevolg dat de procedure van het bestemmingsplan nog niet was voltooid, nu gedeputeerde staten opnieuw dienden te beslissen omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan. De aanhoudingsplicht is derhalve weer tot gelding gekomen. Deze aanhoudingsplicht gold nog ten tijde van het indienen van de aanvraag om bouwvergunning, te weten op 27 maart 2007.