Uitspraak
201007825/1/R2 en 201007828/1/R2, ter zitting behandeld op 23 december 2011, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 2], beiden vertegenwoordigd door mr. W. Zwier, advocaat te Breda, en bijgestaan door C. Winkelman, [belanghebbende], [maat A] en [maat B], directeuren, het college, vertegenwoordigd door mr. H.A. Schoordijk, M.D. Veldhoen en drs. G.W. Doeglas, allen werkzaam bij de provincie, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valenteijn, zijn verschenen.
201007825/1/R2 en 201007828/1/R2- uit de passende beoordelingen die zijn verricht ten behoeve van hun Nbw-vergunningen blijkt dat er geen significante gevolgen zullen zijn en dat de staatssecretaris deze bevindingen in de passende beoordelingen niet heeft weersproken, betekent dit niet dat daarom geen ruimte bestaat voor de staatssecretaris om vanwege het algemeen belang, in dit geval het natuurbelang, toepassing te geven aan artikel 45 van Pro de Nbw 1998. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat het algemeen belang, daaronder begrepen het natuurbelang, meer omvat dan uitsluitend de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
200403342/1) is het uitsterfbeleid zoals dat is verwoord in de PKB Waddenzee niet onredelijk, mede gelet op de hoofddoelstelling hiervan. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.3 en 2.6.3 in de uitspraak van heden in zaak nr.
201007825/1/R2 en 201007828/1/R2, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid nog steeds op het standpunt kunnen stellen dat de effecten van mechanische pierenwinning nog niet volledig duidelijk zijn en dat daarom gezien het grote natuurbelang van de Waddenzee, vooralsnog aan het uitsterfbeleid van de PKB Waddenzee dient te worden vastgehouden. Daarbij is mede van belang dat dit uitsterfbeleid volgens de staatssecretaris heroverwogen kan worden indien is gebleken dat de schade aan de natuur aantoonbaar is verminderd en de mechanische pierenwinning aldus duurzamer is geworden.
200403342/1, in rechte vaststaat dat ook het tweetal daarvoor geldende Nbw-vergunningen terecht uitsluitend op naam van [belanghebbende] waren gesteld. Hieruit volgt dat de thans verleende Nbw-vergunning aan [appellante sub 1] in afwijking van het uitsterfbeleid in de PKB Waddenzee niet verleend is aan de oorspronkelijke vergunninghouder.