Uitspraak
200502605/1), aldus [appellant].
200702632/1, overwogen dat het achterpad, waaraan het bijgebouw is geplaatst, een weg is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bblb, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Het enkele feit dat de feitelijke situatie in voormelde uitspraak van 11 januari 2006 anders is, betekent niet dat aan deze uitspraak geen betekenis toekomt, nu hierin een uitleg is gegeven van het begrip weg in de zin van artikel 1, eerste lid, van het Bblb, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Niet in geschil is dat het achterpad vrij is van belemmeringen om het te betreden en feitelijk voor openbaar verkeer openstaat. Voorts is niet gebleken dat op kenbare wijze het recht is voorbehouden of de feitelijke mogelijkheid is geschapen om weggebruikers de toegang tot het pad te ontzeggen. Dat de wetgever, volgens de door [appellant] overgelegde brief van het Ministerie van VROM van 2 maart 2010, niet heeft beoogd het achterpad als weg aan te merken, leidt niet tot een ander oordeel, nu de tekst van de bepalingen duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Nu het bijgebouw op 0,2 m afstand van het als weg aan te merken achterpad is gelegen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet voldoet aan artikel 2, aanhef, onder b, van het Bblb en is voor de realisering daarvan ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet een vergunning vereist. Het betoog faalt.