Uitspraak
200907936/1/H1is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Helmond verleende op 22 februari 2011 ontheffing voor het realiseren van een tijdelijk zanddepot met ontsluitingsweg voor vijf jaar op percelen aan de Raktweg te Helmond. De voorzieningenrechter vernietigde het besluit deels vanwege het ontbreken van voorschriften en verbond zelf voorschriften aan het besluit, waaronder dat werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels moeten plaatsvinden.
In hoger beroep stelden appellant en appellante dat dit voorschrift te absoluut en onvoldoende bepaald is, en dat het college niet alle stukken ter inzage had gelegd. De Raad van State oordeelde dat het college inderdaad niet alle stukken ter inzage had gelegd, maar dat dit geen belangen van anderen schaadde en het gebrek kon worden gepasseerd. Tevens werd geoordeeld dat het voorschrift over het broedseizoen te ver gaat omdat de gedragscode Flora- en faunawet al voorzorgsmaatregelen bevat.
Verder werd vastgesteld dat de tijdelijke aard van het zanddepot aannemelijk is gemaakt en dat het college in redelijkheid ontheffing kon verlenen, ook gelet op natuurwaarden en verkeersveiligheid. Het voorschrift dat lichtverstoring van vleermuizen moet worden voorkomen werd wel als voldoende duidelijk beoordeeld.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin het broedseizoenvoorschrift aan het besluit werd verbonden, en liet de rest van de uitspraak in stand. Tevens werden de griffierechten aan appellant en appellante terugbetaald.
Uitkomst: Het voorschrift dat werkzaamheden buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden wordt vernietigd, de rest van de uitspraak blijft in stand.