ECLI:NL:RVS:2012:BV9259
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens medische omstandigheden
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Justitie werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de medische situatie van de vreemdeling en de vraag of sprake was van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, hetgeen relevant is voor de toepassing van artikel 3 EVRM Pro. De minister baseerde zijn standpunt op een medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 30 december 2009, waarin werd geconcludeerd dat de vreemdeling niet in een terminaal stadium verkeerde en adequaat werd behandeld.
De Raad van State oordeelde dat het aanvullend advies van 18 maart 2010, opgesteld door een niet-medisch deskundige, niet als juist en volledig kon worden beschouwd en daarom niet mocht worden betrokken bij de beoordeling. Het standpunt van de minister was echter gebaseerd op het BMA-advies van 30 december 2009, dat niet werd betwist door de behandelend psychiater. Verder werd geoordeeld dat de minister terecht geen verblijfsvergunning had verleend op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet Pro 2000 en dat de overige aangevoerde gronden onvoldoende waren om het besluit te vernietigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.