ECLI:NL:RVS:2012:BV9257
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens verkeerde categoriewijziging en onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling werd op 8 januari 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, terwijl zij bij het gehoor al kenbaar had gemaakt internationale bescherming te wensen, waardoor zij als asielzoeker moest worden beschouwd en de bewaring op grond van onder b van dat artikel had moeten plaatsvinden.
De rechtbank had ten onrechte de Terugkeerrichtlijn toegepast op de situatie van de vreemdeling, terwijl volgens de Raad van State de bewaring van een asielzoeker onder andere richtlijnen valt en niet als bewaring met het oog op verwijdering mag worden beschouwd.
De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van de bewaring zwaarder wogen dan die van de vreemdeling, terwijl de Vreemdelingencirculaire 2000 een concrete belangenafweging vereist bij bewaring van asielzoekers.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en kende de vreemdeling een vergoeding toe voor de periode van bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig en het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard met toekenning van een vergoeding.