ECLI:NL:RVS:2012:BV5120
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen voor niet-verleende tewerkstellingsvergunning
De minister legde aan appellante een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een Bulgaarse vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante stelde dat zij slechts verkoper was van het kassencomplex en niet als werkgever kon worden aangemerkt, en dat de vreemdeling als zelfstandige werkte. De rechtbank oordeelde echter dat appellante als werkgever moest worden gezien omdat zij via tussenpersonen arbeid liet verrichten en dat de vreemdeling niet zelfstandig, maar onder gezag werkte.
De Raad van State bevestigde dit oordeel. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat het ontbreken van een gezagsverhouding bepalend is voor zelfstandigheid, en de feitelijke situatie toonde aan dat de vreemdeling in ploegverband en onder leiding van een voorman werkte. Ook werd geoordeeld dat de termijn van twaalf maanden voor vrijstelling van de vergunningplicht pas ingaat bij verlening van de vergunning, niet bij afgifte van het verblijfsdocument.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boeteoplegging bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning.