Uitspraak
200801014/1heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op onder meer de hieronder vermelde vraag. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit de toelichting bij het Besluit volgt dat, voor zover thans van belang, artikel 1e, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ziet op terbeschikkingstellingsituaties als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder c, van richtlijn 96/71/EG. De gestelde vraag luidde als volgt:
200902489/1/V6en
200902516/1/V6overwogen dat de minister zich terecht, zonder dat daartoe nader onderzoek nodig was, op het standpunt heeft gesteld dat de dienstverrichting in die gevallen bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200802872/1) bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
201103843/2/V6heeft de voorzitter van de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellante], dat indien de haar opgelegde boete hangende hoger beroep wordt geïnd, de continuïteit van haar onderneming ernstig in gevaar komt, onder meer overwogen dat de door [appellante] in dit verband overgelegde stukken geen grond vormen voor het oordeel dat aannemelijk moet worden geacht dat indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet worden geschorst, sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen, zoals een faillissement. Voorts is de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 12 september 2011 in zaak nr.
201103843/3/V6naar aanleiding van datzelfde betoog van [appellante] niet tot een ander oordeel gekomen, aangezien geen andere stukken zijn overgelegd die betrekking hebben op de financiële situatie van [appellante]. De Afdeling volgt de desbetreffende overwegingen van de voorzitter.