ECLI:NL:RVS:2012:BV5103

Raad van State

Datum uitspraak
15 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201103843/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • R. van der Spoel
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 3 WavArt. 18 WavArt. 18a WavArt. 19a Wav
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens overtreding tewerkstellingsvergunning Wet arbeid vreemdelingen

De minister legde appellante een boete van €56.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zeven Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten in Nederland. Appellante voerde aan dat het ging om grensoverschrijdende dienstverlening en niet louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten, en dat de boete onterecht en disproportioneel was.

De Raad oordeelde dat de werknemers in dienst waren van een Pools bedrijf dat een aannemingsovereenkomst had gesloten met appellante. De verplaatsing van de werknemers naar Nederland was het doel van de dienstverrichting en zij verrichtten hun taken onder toezicht en leiding van appellante, waarmee sprake was van ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare zaken eenzelfde oordeel kregen en geen onderbouwing was geleverd.

Verder stelde de Raad vast dat appellante de overtreding volledig kan worden verweten, omdat zij geen navraag deed bij de bevoegde instantie ondanks onduidelijkheid over vergunningplicht. De boete was niet disproportioneel omdat geen bewijs werd geleverd dat de continuïteit van de onderneming ernstig werd bedreigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De boete van €56.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

201103843/1/V6.
Datum uitspraak: 15 februari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Zundert,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2011 in zaak nr. 10/1933 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2009 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 56.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit, verzonden op 9 april 2010, heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 april 2011. Deze brieven zijn aangehecht.
De minister is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur], bijgestaan door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vertegenwoordigd door mr. M. Znabet, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Sb. 2009, 265) op 1 juli 2009.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.
Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
Ingevolge artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits
a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,
b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen (hierna: de CWI) heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en
c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Ingevolge artikel 18 van Pro de Wav, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.
Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.
Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.
Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.
Volgens artikel 1 van Pro de beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav" (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.
Volgens artikel 4 bestaat Pro de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.
Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.
Ingevolge artikel 56, eerste alinea, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
Ingevolge artikel 57, laatste alinea, voor zover thans van belang, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.
Ingevolge Bijlage VI Lijst bedoeld in artikel 23 van Pro de Toetredingsakte: Bulgarije (hierna: Bijlage VI), onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Pro Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Bulgarije en Nederland, artikel 45 van Pro het VWEU slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.
Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.
De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VI het recht op het vrij verkeer van werknemers, zoals neergelegd in artikel 45 van Pro het VWEU, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2012 gehandhaafd (Kamerstukken II 2008/09, 29 407, nr. 98).
Volgens artikel 1, eerste lid, van richtlijn 96/71 EG is de richtlijn van toepassing op in een Lid-Staat gevestigde ondernemingen die in het kader van transnationale dienstverrichtingen, overeenkomstig lid 3, werknemers ter beschikking stellen op het grondgebied van een andere Lid-Staat.
Volgens het derde lid is de richtlijn van toepassing voor zover de in lid 1 bedoelde ondernemingen een van de volgende transnationale maatregelen nemen:
a. een werknemer voor hun rekening en onder hun leiding op het grondgebied van een andere Lid-Staat ter beschikking stellen, in het kader van een overeenkomst tussen de onderneming van herkomst en de ontvanger van de dienst die in deze Lid-Staat werkzaam is, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of
b. een werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat ter beschikking stellen van een vestiging of een tot hetzelfde concern behorende onderneming, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of
c. als uitzendbedrijf of als onderneming van herkomst, een werknemer ter beschikking stellen van een ontvangende onderneming die op het grondgebied van een andere Lid-Staat gevestigd is of er werkzaamheden uitvoert, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen het uitzendbureau of de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat.
2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 24 april 2009 en de aanvullende boeterapporten van 7 december 2009 onderscheidenlijk 16 februari 2010 houden in dat zeven vreemdelingen van Bulgaarse nationaliteit op 28 januari 2008, in dienst van [naam bedrijf], gevestigd te [plaats] in Polen, in de onderneming van [appellante] arbeid hebben verricht, bestaande uit het plukken en afwegen van champignons, zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening anders dan het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Hiertoe voert zij aan dat de vreemdelingen in dienst waren van [bedrijf] en dat zij met [bedrijf] een schriftelijke aannemingsovereenkomst voor het handmatig plukken van champignons van 1 tot 31 januari 2008 had gesloten, waarbij de aanneemsom was gebaseerd op de gemiddelde wekelijkse champignonoogst. Hierbij verstrekte [bedrijf] bedrijfskleding, handschoenen en mesjes en hield [bedrijf] conform voormelde aannemingsovereenkomst via voorvrouwen feitelijk leiding over en toezicht op de werkzaamheden, terwijl [appellante] enkel de eindcontrole op het geleverde werk uitvoerde, aldus [appellante]. Haar toenmalige directeur bereidde de champignonpluk voor en wees de cellen aan waar de vreemdelingen moesten plukken omdat volgens [appellante], gelet op het groeiproces en de benodigde specialistische voorbereiding, enkel de teler die taken kan verrichten. Voorts blijkt [appellante] uit niets dat de vreemdelingen hun hoofdactiviteiten niet in Polen, althans buiten Nederland, uitvoerden en wenste [bedrijf] niet dat haar werknemers toetraden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Tot slot blijkt uit de bij het boeterapport gevoegde notificatieformulieren dat [bedrijf] ervan uitging dat zij dienstverlener was als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, van het Besluit, aldus [appellante].
2.3.1. Bij onder meer de verwijzingsuitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr.
200801014/1heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op onder meer de hieronder vermelde vraag. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit de toelichting bij het Besluit volgt dat, voor zover thans van belang, artikel 1e, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ziet op terbeschikkingstellingsituaties als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder c, van richtlijn 96/71/EG. De gestelde vraag luidde als volgt:
"2. Aan de hand van welke criteria dient te worden bepaald of sprake is van het ter beschikking stellen van werknemers in de zin van artikel 1, derde lid, onder c, van richtlijn 96/71 EG?"
2.3.2. Het Hof heeft in het arrest van 10 februari 2011 in de gevoegde zaken C-307/09 tot en met C-309/09 (Vicoplus e.a.; www.curia.europa.eu), deze vraag als volgt beantwoord:
"2. De terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, lid 3, sub c, van richtlijn 96/71 is een dienstverrichting tegen vergoeding waarbij de ter beschikking gestelde werknemer in dienst blijft van de dienstverrichtende onderneming en er geen arbeidsovereenkomst tot stand komt met de inlenende onderneming. Zij wordt erdoor gekenmerkt dat de verplaatsing van de werknemer naar de lidstaat van ontvangst het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt en dat deze werknemer zijn taken onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming vervult."
2.3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdelingen ten tijde van hun werkzaamheden in de onderneming van [appellante] in dienst waren van [bedrijf].
Uit voormelde aannemingsovereenkomst kan worden afgeleid dat de kern van de door [bedrijf] tegenover [appellante] aangegane verplichting de inzet van personeel is om in de onderneming van [appellante] van 1 tot 31 januari 2008 handmatig champignons te plukken op basis van een kiloprijs. Gelet hierop was in dit geval de verplaatsing van de werknemers naar Nederland het doel op zich van de dienstverrichting door [bedrijf].
Voorts bestaat grond voor het oordeel dat de vreemdelingen hun taken onder toezicht en leiding van [appellante] hebben vervuld. Weliswaar volgt dat niet uit de enkele omstandigheid dat [directeur] de te oogsten cellen en de te vullen champignonbakjes aanwees, maar deze omstandigheid staat niet op zichzelf en dient te worden bezien in het licht van het geheel van de verklaringen in onderlinge samenhang bezien. Uit dat samenstel blijkt voldoende dat [appellante] toezicht hield op de werkzaamheden van de vreemdelingen en daarover leiding gaf. Dat de vreemdelingen in hun bij het boeterapport en het aanvullend boeterapport van 16 februari 2010 gevoegde verklaringen de voorvrouwen van [bedrijf] hebben aangewezen als degenen die de werkopdrachten gaven en onder wier leiding zij werkten, leidt niet tot een ander oordeel. Die verklaringen zijn slechts summier en algemeen van aard.
Uit de bij het aanvullend boeterapport van 16 februari 2010 gevoegde verklaring van de vreemdeling blijkt dat [directeur] die voorvrouwen vertelde hoe te plukken en dat zij de arbeidstijden in de gaten hield. In dit verband is tevens van belang dat [directeur], blijkens haar bij het boeterapport gevoegde verklaring, er dagelijks zorg voor droeg dat de champignons tijdig en kwalitatief juist werden geoogst en dat de arbeidstijden afhankelijk waren van het groeistadium van de champignons en de hygiëne binnen het bedrijf en in overleg met de voorvrouwen werden bepaald. Uit de verklaringen van [vreemdeling] en [directeur] blijkt derhalve dat, anders dan [appellante] stelt, de rol van [directeur] niet was beperkt tot de eindcontrole op het geleverde werk.
Gelet op het voorgaande is sprake van grensoverschrijdende dienstverlening die louter heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Het betoog faalt.
2.4. [appellante] betoogt voorts dat de boete in strijd met het gelijkheidsbeginsel is opgelegd, aangezien in vergelijkbare zaken is geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening die louter heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. In bedoelde zaken is tevens sprake van een aannemingsovereenkomst op basis waarvan [bedrijf] voor een bepaalde periode met haar werknemers van Poolse nationaliteit bij een Nederlands bedrijf champignons heeft geoogst, waarbij tevens een voorvrouw van [bedrijf] aldaar leiding over en toezicht op de werkzaamheden van de werknemers van [bedrijf] hield, aldus [appellante].
2.4.1. In de door [appellante] in beroep vermelde zaken waarin [kwekerij sub 1] was beboet voor overtreding van de Wav heeft de Afdeling bij onderscheiden uitspraken van 1 februari 2012 in zaken nrs.
200902489/1/V6en
200902516/1/V6overwogen dat de minister zich terecht, zonder dat daartoe nader onderzoek nodig was, op het standpunt heeft gesteld dat de dienstverrichting in die gevallen bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit.
In de door [appellante] in beroep vermelde zaak waarin [kwekerij sub 2] was beboet voor overtreding van de Wav heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het boeterapport onvoldoende grond bood voor het standpunt dat sprake was van het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten en dat een poging tot nader onderzoek niet opportuun was. In de onderhavige zaak heeft de minister nader onderzoek gedaan en bieden het boeterapport en de aanvullende boeterapporten, zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 2.3.3., wel voldoende grond voor het oordeel dat sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening die louter heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Ten aanzien van de door [appellante] in beroep vermelde zaken waarin [bedrijf] was beboet voor overtreding van de Wav, alsmede de overige zaken waarnaar zij ter zitting bij de Afdeling heeft verwezen, heeft zij geen stukken overgelegd om de door haar gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen.
Het betoog faalt.
2.5. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat de boete dient te worden gematigd.
Hiertoe voert zij ten eerste aan dat de overtreding haar niet verwijtbaar is aangezien zij heeft gecontroleerd dat de vreemdelingen krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van [bedrijf] waren, dat zij onder leiding en toezicht van [bedrijf] bleven, dat [bedrijf] in Polen reële economische activiteiten ontplooide in onder meer de champignonsector, dat de dienst een tijdelijk karakter had en dat de vreemdelingen hun hoofdactiviteit buiten Nederland hadden. Uit voormelde prejudiciële vraag blijkt voorts dat ten tijde van de overtreding niet duidelijk was in welke situaties een tewerkstellingsvergunning was vereist, aldus [appellante].
Ten tweede voert zij aan dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, met de door haar overgelegde jaarstukken heeft bewezen dat de continuïteit van de onderneming als gevolg van de opgelegde boete ernstig in gevaar is gekomen.
2.5.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
2.5.3. Hoewel in voormelde aannemingsovereenkomst is vermeld dat de werknemers van [bedrijf] waren gehouden de werkzaamheden onder toezicht en leiding van [bedrijf] te verrichten en dat [appellante] niet was gerechtigd over die werknemers enigerlei gezag, leiding of toezicht uit te oefenen, volgt uit hetgeen is overwogen onder 2.3.3. dat de vreemdelingen hun taken onder toezicht en leiding van [appellante] hebben vervuld. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Indien voor [appellante] onduidelijk was of in haar situatie ten aanzien van de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen waren vereist, had het op haar weg gelegen daarover navraag te doen bij de CWI, toentertijd de instantie die verantwoordelijk was voor de afgifte van tewerkstellingsvergunningen. [appellante] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij bedoelde navraag heeft gedaan.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de overtreding [appellante] volledig kan worden verweten.
Het betoog faalt in zoverre.
2.5.4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 29 oktober 2008 in zaak nr.
200802872/1) bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
Bij uitspraak van 18 juli 2011 in zaak nr.
201103843/2/V6heeft de voorzitter van de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellante], dat indien de haar opgelegde boete hangende hoger beroep wordt geïnd, de continuïteit van haar onderneming ernstig in gevaar komt, onder meer overwogen dat de door [appellante] in dit verband overgelegde stukken geen grond vormen voor het oordeel dat aannemelijk moet worden geacht dat indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet worden geschorst, sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen, zoals een faillissement. Voorts is de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 12 september 2011 in zaak nr.
201103843/3/V6naar aanleiding van datzelfde betoog van [appellante] niet tot een ander oordeel gekomen, aangezien geen andere stukken zijn overgelegd die betrekking hebben op de financiële situatie van [appellante]. De Afdeling volgt de desbetreffende overwegingen van de voorzitter.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat [appellante] ook thans geen andere stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op haar financiële situatie, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
Het betoog faalt ook in zoverre.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Cassé
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012
588.