Uitspraak
200906977/1/M2vernietigd. De Afdeling heeft in haar uitspraak geoordeeld dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport van Lichtveld Buis & Partners van 22 juni 2008, aangevuld op 12 juni 2009, (hierna: het akoestisch rapport) geen rekening is gehouden met mogelijk sluipverkeer, waardoor niet is uitgesloten dat het akoestisch rapport in zoverre een onderschatting bevat van de verkeersintensiteiten en daarmee van de geluidbelastingen.
201103141/1 en 201102679/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college in dit geval een onjuiste definitie heeft gehanteerd van het begrip sluipverkeer. Voorts is in die uitspraak, kort samengevat, overwogen dat er evenmin aanleiding is voor het oordeel dat in het akoestisch rapport, in samenhang met het nadere rapport, onvoldoende rekening is gehouden met sluipverkeer. De door het college geprognosticeerde verdeling van het verkeer over de doorgaande wegen de Wildeman en de Glazenmaker van respectievelijk 60 en 40% is ontleend aan de overweging dat de route over de Wildeman slechts iets korter is dan over de Glazenmaker, zodat het college ervan uitgaat dat het verkeer slechts een lichte voorkeur zal hebben voor de route over de Wildeman. In het kentekenonderzoek wordt dit beeld bevestigd; de verdeling van het verkeer over de Wildeman en de Glazenmaker was ten tijde van dit onderzoek onderscheidenlijk 53 en 47%. Niet aannemelijk is gemaakt dat is uitgegaan van een zodanig onjuiste verdeling van het verkeer over de genoemde wegen dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat het akoestisch rapport in zoverre niet representatief is voor de geluidbelasting op de woningen. De Afdeling heeft verder in haar uitspraak van heden geoordeeld dat het uitgevoerde kentekenonderzoek en de visuele telling uitsluitend hebben plaatsgevonden om de aan het akoestisch rapport en het verkeersmodel ontleende prognoses te kunnen toetsen en dat niet aannemelijk is geworden dat de prognoses waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan onjuist zijn. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de stichting aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten en - daarmee - van een te lage geluidbelasting op de in geding zijnde woningen.
201103141/1 en 201102679/1, welke uitspraak onder meer ziet op een uitspraak van de rechtbank Haarlem over het vrijstellingsbesluit. Nu het college niet verplicht was om voor de door de stichting genoemde woningen een hogere waarde vast te stellen, faalt de beroepsgrond dat het college dit ten onrechte heeft nagelaten.
201103141/1 en 201102679/1, een oordeel gegeven over de uitspraken van de rechtbank over het verkeersbesluit en het vrijstellingsbesluit. In het bestreden besluit heeft het college een reactie gegeven op de door de stichting ingediende zienswijze tegen het ontwerp van het besluit. De stichting heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan deze reactie onjuist zou moeten worden geacht. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.