Uitspraak
201004060/1/V6) bevat artikel 5:20 van Pro de Awb, gelet op de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, slechts een inspanningsverplichting voor de werkgever, die ziet op het verstrekken van inlichtingen teneinde alsnog de identiteit van de werkende te kunnen vaststellen. De beantwoording van de vraag of is voldaan aan de vordering op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb, dient te worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de vordering. Voorts volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2010 in zaak nr.
201101988/1/V6) dat voor de beoordeling van de vraag of [appellante] voldoende inspanningen heeft verricht om de identiteit van de arbeidskracht te achterhalen niet relevant is of en in hoeverre de minister inspanningen daartoe heeft verricht.
200908558/1/V6; hierna: de uitspraak van 23 juni 2010). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
200802872/1) bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. [appellante] is, reeds omdat uit de in 2.4. vermelde stukken blijkt dat zij in zowel 2009 als 2010 een positief resultaat heeft behaald, daarin niet geslaagd. Het betoog faalt.