Uitspraak
200903136/1/H2), is het in beginsel aan de ouders om hun kinderen begeleiding tijdens het leerlingenvervoer te geven. Het betoog faalt.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van het leerlingenvervoer van haar zoon af, omdat de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school minder dan zes kilometer bedraagt en de zoon niet gehandicapt is in de zin van de Verordening Leerlingenvervoer.
Appellante stelde dat haar zoon wel gehandicapt is, maar de Raad van State oordeelde dat het college terecht het advies van de GGD volgde, dat op basis van IQ-scores geen verstandelijke handicap vaststelde. De rechtbank had dit oordeel bevestigd en het betoog van appellante verworpen.
Verder werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die toepassing rechtvaardigden. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 februari 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van vergoeding leerlingenvervoer bevestigd.