ECLI:NL:RVS:2012:BV2195
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van bewaring vreemdeling ondanks toepasselijkheid Procedurerichtlijn
De vreemdeling werd op 2 maart 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij had op 1 maart 2011 tegenover de marechaussee te kennen gegeven asiel te willen aanvragen, en diende op 2 maart 2011 een aanvraag in, die hij op 4 maart 2011 introk. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing was op de bewaring, terwijl volgens hem de Procedurerichtlijn van toepassing was en het terugkeerbesluit onrechtmatig was. De Raad van State overwoog dat de vreemdeling als asielzoeker moet worden aangemerkt vanaf het moment dat hij zijn wens tot internationale bescherming kenbaar maakte, waardoor de Procedurerichtlijn van toepassing is op de bewaring van 2 maart 2011.
Desondanks oordeelde de Raad dat het terugkeerbesluit geen voorwaarde is voor de rechtmatigheid van de bewaring en dat het onrechtmatig uitreiken van het terugkeerbesluit niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel, zolang aan de voorwaarden van artikel 59 is Pro voldaan. Ook voor de voortzetting van de bewaring op 4 maart 2011 was geen geldig terugkeerbesluit vereist. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring bevestigd.