Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 47 Wet op de Raad van StateArt. 10 EVRMArt. 2 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdverklaring Raad van State in hoger beroep tegen uitspraak rechtbank na toepassing artikel 8:54 Awb
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, waarin de rechtbank zich eerder onbevoegd had verklaard en vervolgens het beroep van appellant ongegrond had verklaard na toepassing van artikel 8:54 AwbPro.
Appellant stelde dat hij geen verzet had ingesteld tegen deze uitspraak wegens gebrek aan vertrouwen in de rechtbank, en voerde tevens aan dat hij op grond van het EVRM recht had op een mondelinge toelichting op zijn processtukken. De Raad van State overwoog echter dat tegen een uitspraak na toepassing van artikel 8:54 AwbPro verzet kan worden ingesteld bij de rechtbank, en dat hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak is uitgesloten op grond van artikel 47, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat er geen sprake was van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen dat het hoger beroep toch ontvankelijk zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54 Awb.
Uitspraak
201105716/1/H3.
Datum uitspraak: 4 januari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Gouda,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 april 2011 in zaak nr. 11/2641.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 27 september 2010 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep van [appellant].
Bij uitspraak van 19 april 2011, verzonden op 20 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (lees: het verzoek om herziening afgewezen). Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2011, hoger beroep ingesteld.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2011, waar [appellant], en de VNG, vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoogland, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. zij kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
Ingevolge artikel 8:54, tweede lid, worden partijen in de uitspraak na toepassing van het eerste lid gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, tegen de uitspraak bedoel in artikel 8:54, tweede lid, verzet doen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 47, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State, kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
2.2. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Tegen een dergelijke uitspraak kan verzet worden gedaan bij de rechtbank. [appellant] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, wegens een gebrek aan vertrouwen in de rechtbank 's-Gravenhage. Tegen een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, kan, gelet op artikel 47, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State, geen hoger beroep worden ingesteld.
2.3. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van die bepaling kan grond bestaan, indien er een zodanige schending is van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest.
[appellant] betoogt dat hij, ingevolge artikel 10 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang gelezen met artikel 2 vanPro dit verdrag, de mogelijkheid had moeten krijgen een mondelinge toelichting op zijn processtukken te geven.
Dit biedt geen grond voor het oordeel dat is gebleken van een zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest, nu [appellant] de mogelijkheid had om verzet te doen tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2011. Ingevolge artikel 8:55, derde lid, van de Awb, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, alvorens uitspraak te doen op het verzet, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is. De enkele stelling van [appellant] dat hij wegens een gebrek aan vertrouwen in de rechtbank geen verzet heeft ingesteld, maakt dit oordeel niet anders.
2.4. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.