ECLI:NL:RVS:2011:BV0404
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat het ontbreken van identiteitsdocumenten aan vreemdeling kan worden toegerekend bij asielaanvraag
De vreemdeling heeft een asielaanvraag ingediend waarbij hij geen identiteitsbewijs of paspoort heeft overgelegd. Tijdens het eerste gehoor verklaarde hij dat hij een identiteitsbewijs in Nepal had achtergelaten en zijn paspoort in bewaring had gegeven bij een vriend. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van deze documenten niet aan de vreemdeling kon worden toegerekend, omdat het paspoort inmiddels weer beschikbaar was.
De minister stelde echter dat het niet overleggen van essentiële documenten aan de vreemdeling kan worden toegerekend op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling bewust had gekozen zijn documenten niet mee te nemen. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister niet deugdelijk gemotiveerd achtte.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbehandeling en beslissing met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd vastgesteld dat de kosten in hoger beroep € 437,00 bedragen en dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.