ECLI:NL:RVS:2011:BU9583
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en gebruik vals document bij asielaanvraag
De vreemdeling werd op 22 maart 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat een vreemdeling die persoonlijk kenbaar maakt asiel te willen aanvragen als asielzoeker moet worden beschouwd en dat een bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 passend is. De Afdeling stelde vast dat de bewaring van 22 maart 2011 onrechtmatig was, maar dat de vreemdeling op 26 maart 2011 opnieuw in bewaring is gesteld binnen de wettelijke termijn.
Verder oordeelde de Afdeling dat het gebruik van een vals of vervalst document niet aan de bewaring ten grondslag kan worden gelegd indien het document uitsluitend is gebruikt om Nederland binnen te komen en de vreemdeling kort na binnenkomst asiel aanvraagt zonder het document te ontkennen. De vreemdeling had echter niet kort na binnenkomst verklaard asiel te willen aanvragen, zodat het gebruik van het valse document aan de bewaring kon worden toegerekend.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was deels onrechtmatig maar uiteindelijk rechtsgeldig opgelegd; het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.