ECLI:NL:RVS:2011:BU8626
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtspositie vreemdeling inzake arbeidstoestemming en bezwaartermijn overschrijding
De vreemdeling diende op 30 september 2009 een aanvraag in voor een verblijfsdocument als ongehuwde partner van een EU-burger. De staatssecretaris plaatste in het paspoort een sticker met de aantekening dat arbeid niet is toegestaan. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze aantekening, maar dit werd door de staatssecretaris ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de aantekening geen besluit is zoals bedoeld in de Awb, maar een appellabele feitelijke handeling. Omdat de vreemdeling pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn professionele rechtsbijstand inschakelde en binnen een redelijke termijn alsnog bezwaar maakte, is de overschrijding van de termijn verschoonbaar.
Verder oordeelt de Afdeling dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had op het moment van de aanvraag, zodat de aantekening over het niet mogen verrichten van arbeid terecht is geplaatst. Ook was het bezwaar niet kennelijk ongegrond, zodat de staatssecretaris niet zonder hoorzitting mocht beslissen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit van 2 februari 2010 en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 2 februari 2010 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.