Uitspraak
200801014/1gestelde prejudiciële vragen.
200807325/1.
Raad van State
Appellante kreeg een boete van €8.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat een Poolse werknemer zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte in Nederland.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State. De zaak werd aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het vrij verkeer van diensten en werknemers.
Het Hof oordeelde dat de eis van een tewerkstellingsvergunning niet in strijd is met het VWEU tijdens de overgangsperiode en verduidelijkte de criteria voor terbeschikkingstelling van werknemers. De Raad van State concludeerde dat de dienstverrichting bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en dat de werknemer onder toezicht van appellante werkte.
Het beroep op een sollicitatieprocedure faalt omdat de werknemer feitelijk arbeid verrichtte. De Raad bevestigt de boeteoplegging en wijst het hoger beroep af, met een verbetering van de motivering ten opzichte van de voorzieningenrechter.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens overtreding van de tewerkstellingsvergunningplicht.