ECLI:NL:RVS:2011:BU7538
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van samenwoning en verblijfsvergunning bij huiselijk geweld in vreemdelingenrecht
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 gegrond verklaarde.
De kern van het geschil is de uitleg van artikel 3.90 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat bepaalt dat een tijdelijke verbreking van de samenwoning wegens gewelddaden geen grond is voor intrekking van een verblijfsvergunning. De rechtbank had geoordeeld dat deze tijdelijke verbreking ook geen grond kan zijn voor weigering van verlenging van de verblijfsvergunning, maar de Raad van State stelt dat artikel 3.90 slechts een uitzondering op de intrekkingsbevoegdheid betreft.
De vreemdeling had vanwege huiselijk geweld de samenwoning verbroken en vroeg om verlenging van zijn verblijfsvergunning. Omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.51, werd hem op grond van artikel 3.52 een verblijfsvergunning verleend wegens klemmende humanitaire redenen. De Raad van State oordeelt dat dit besluit redelijk is en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De uitspraak benadrukt het belang van het onderscheid tussen intrekking en weigering van verlenging van verblijfsvergunningen en bevestigt dat humanitaire gronden, zoals huiselijk geweld, een zelfstandige grond kunnen vormen voor verblijfsrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.