ECLI:NL:RVS:2011:BU6102
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Gezinshereniging en studiefinanciering als sociale bijstand volgens Vreemdelingenwet en EU-richtlijn
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het standpunt van de minister betrof dat studiefinanciering niet als middelen van bestaan kan worden aangemerkt bij de beoordeling van een aanvraag verblijfsvergunning voor gezinshereniging. De minister stelde dat studiefinanciering sociale bijstand is en daarom niet als stabiele en regelmatige inkomsten kan gelden volgens artikel 7 van Pro de richtlijn 2003/86/EG.
De Raad van State bevestigt dat studiefinanciering, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, moet worden aangemerkt als sociale bijstand en dus niet als stabiele en regelmatige inkomsten. Dit betekent dat de minister het besluit van 6 juli 2010 om studiefinanciering niet als middelen van bestaan te beschouwen, terecht heeft genomen. De omstandigheden van de partner met een bijbaan en toeslagen werden niet betrokken omdat deze niet bestonden ten tijde van het besluit.
Verder oordeelt de Raad dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig is gemaakt. Hoewel er sprake is van gezinsleven, is het standpunt van de minister dat het middelenvereiste niet is voldaan en dat er geen positieve verplichting is om verblijf te verlenen, niet onredelijk. De minister heeft ook terecht meegewogen dat het gezinsleven buiten Nederland kan worden uitgeoefend. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.